In de jaren 1940-1945 was er geen Nederlandse volksvertegenwoordiging geweest die controle had uitgeoefend over de regering. In juni 1947 stelde Jhr. Mr. M. van der Goes van Naters daarom voor om de Tweede Kamer een enquête te laten houden naar het regeringsbeleid in de periode 1940-1945. Het voorstel werd in november 1947 aangenomen en nog in datzelfde jaar zou de commissie worden samengesteld en aan het werk gaan.
Ondanks het feit dat er steeds meer bekend raakte over de wantoestanden in internerings- & verblijfskampen, werden deze zelden naar behoren onderzocht. Bovendien werd de grondigheid van de zuivering nogal eens ter discussie gesteld. Lichte gevallen waren door de enorme hoeveelheid arrestanten in vrijheid gesteld en sommige ernstige gevallen wisten eveneens aan de aandacht te ontsnappen. De Parlementaire Enquêtecommissie Regeringsbeleid 1940-1945 zag het als haar taak om aan dit onderwerp, dat een uitvloeisel was van het regeringsbeleid, aandacht te schenken.
In oktober 1949 kreeg mr. A.M. van Tuyll van Serooskerken van de Parlementaire Enquêtecommissie Regeringsbeleid 1940-1945 de opdracht om dit onderzoek te leiden. Meer specifiek moest hij de misstanden in de bewaringskampen van 'foute Nederlanders' in de periode direct volgend op de bevrijding onderzoeken. De commissie onderzocht verder een breed scala van onderwerpen: het militaire beleid, de neutraliteitspolitiek, vertrek van de regering en de eerste maanden in Londen (waaronder de problemen met D.J. de Geer), het financieel-economisch beleid, de geheime diensten, contacten met bezet Nederland (waaronder de leiding en voorlichting van ambtenaren in bezette gebieden en de contacten met het verzet), kabinetscrises, de voorbereiding van de terugkeer (de Staten-Generaal, het Militair Gezag en de Vertrouwensmannen), het beleid t.a.v. Nederlanders in het buitenland die hulp nodig hadden en het beleid betreffende Nederlands-Indië.
In het Nationaal Archief is al het verzamelde materiaal over dit onderzoek te vinden: literatuur, krantenknipsels, ingekomen brieven, (inspectie)-rapporten van de kampen, processen-verbaal van verhoren van gedetineerde Nederlandse en Duitse mannen en vrouwen. Onder de gevallen die werden behandeld waren onder meer Arnold Meijer, Chr. Lindemans (de zaak-King Kong), ds. H.W. van der Vaart Smit en F. Weinreb. Curieus onderdeel van het archief zijn een paar boeien en kettingen, waarmee een van de gedetineerden in het kamp ‘De vergulde Hand' in Vlaardingen dag en nacht aan anderen geketend was. Daarnaast bevind zich in het archief ook enig materiaal over de behandeling van Nederlandse gedetineerden in de kampen van het Derde Rijk en de processen van Neurenberg en Tokio.
De commissie heeft zeer bewust de relatie tussen koningin Wilhelmina en de regering buiten haar onderzoek gelaten, met als motief dat de koning(in) volgens de grondwet onschendbaar is en de ministers verantwoordelijk.
Het werk van de commissie is ook gepubliceerd: Enquêtecommissie Regeringsbeleid 1940-1945 ('s Gravenhage, SDU, 1949-1956), 8 delen in 19 banden. Het Nationaal Archief bevat veel van de originele stukken waarop deze publicatie is gebaseerd zoals de documentatie en de originele verslagen van de verhoren. Daarnaast is er veel materiaal waaruit men de werkwijze kan de commissie kan reconstrueren, zoals de notulen van vergaderingen, de ingekomen en uitgaande stukken, de regelmatige verslagen aan de Tweede Kamer, financiële stukken en stukken over de organisatie van de commissie.
Het rapport werd niet door iedereen positief gewaardeerd. In zijn boek In plaats van bijltjesdag was de jurist A.D. Belinfante zeer kritisch over het rapport en noemde het onderzoek ‘een gemiste kans'. Tegen de tijd dat de commissie haar verslag publiceerde was het merendeel van de kampen bovendien opgeheven en van structurele wantoestanden was al geen sprake meer. Het rapport was eigenlijk te laat gepubliceerd. |