Op 22 juni 1945 werd het eerste massagraf geopend. Het ging hier om het graf van de 49 slachtoffers die waren begraven aan het einde van de schietbaan tegenover Kamp Amersfoort. Onder verantwoording van Het Nederlandse Rode Kruis werden - door de Dienst Identificatie en Berging - de 49 slachtoffers geborgen. Belangrijke hulp hierbij werd verkregen van
Dr. C.J. van Ledden Hulsebosch van het laboratorium voor gerechtelijk onderzoek te Amsterdam, begrafenisondernemer P.H. van Haselen en Dr. Dekker van de G.G.D. te Amersfoort. De rechercheurs van de POD waren - net als bij de opgravingen die nog zouden volgen - nauw betrokken bij berging.
Onderstaand citaat is afkomstig uit een proces verbaal gedateerd 1947:
Op 21 juni 1945 werd door verbalisanten Kleinveld en Wolthuis een aanvang gemaakt met het onderzoek naar een graf en werd met behulp van Mevr. L. van Overeem, leidster van het Roode Kruis in het voormalige P.D.A.-kamp te Amersfoort, een graf ontdekt van ongeveer 4 x 2 meter, liggende op het grondgebied van de gemeente Leusden, aan het einde van de in aanleg zijnde schietbaan, welke is gelegen loodrecht op de Appelweg op een afstand van 450 meter vanuit en evenwijdig aan Laan 1914, loopende in de richting van den Utrechtscheweg. De afstand vanaf den Appelweg tot aan het graf bedraagt loodrecht gemeten 300 meter.
Den volgenden dag, 22 juni 1945, werd door ons het onderzoek voortgezet en een aanvang gemaakt, met de blootlegging van voornoemd graf. Het bleek, dat zich een groot aantal lijken in het graf moesten bevinden, waarop werd begonnen met het naar boven brengen van de lijken, hetgeen geschiedde door een aantal leden van den G.G.D. te Amersfoort, onder leiding van Dr. Dekker, arts van voornoemden dienst en met behulp van een Zwitserschen Roode Kruis arts. Bovengenoemde doktoren stelden de doodsoorzaak vast en verstrekten ons de lichamelijke signalementen. Nadat dien dag drie lijken tevoorschijn waren gehaald, werd den volgenden dag onder toezicht van den politie-dekundige Dr. van Ledden Hulsebosch de opgraving voortgezet. Vanaf den aanvang, 22 juni 1945, tot en met 26 juni 1945, werden in totaal 49 lijken geborgen; na onderzoek bleken zich geen verdere slachtoffers meer in het graf te bevinden. De lijken werden gelegd in houten kisten met zinken bekleeding, voorzien van de resp. nummers 1 t/m 49 en in een tijdelijk graf in de nabijheid van het oorspronkelijke bijgezet.Sinds mei 1945 was de Dienst Identificatie en Berging (als enige instantie gerechtigd om zelfstandig opgravingen te verrichten) bij het Rode Kruis ondergebracht.
Rond de tijd van de eerste opgraving werd al snel besloten tot de vorming van een Amersfoorts Identificatie en Bergingsteam.